De grondslag ligt in de Zaanstreek, waar Jacob Ris rond het jaar 1900 een kapperszaak begon.

Daar begon hij naast het kappersvak in deze winkel na enige jaren ook enkele uurwerken en sieraden te verkopen.

Rond 1930 kwam zijn zoon Pieter Ris ook in de zaak werken, deze kreeg de opdracht om binnen een dag een kapotte wekker te repareren. Dit was voor hem de eerste keer dat hij een uurwerk in handen kreeg maar na 6 uur zwoegen had hij de wekker toch weer lopend gekregen. Daarmee was zijn keus gemaakt, Pieter Ris ging niet het kappersvak in maar werd juwelier.